1

Thuisgevoel

– Blog – ‘Wat raar, mam,’ zei mijn dochter, ‘er zijn hier helemaal geen vrouwen met hoofddoekjes.’ We vierden vakantie in een oostelijke uithoek van Duitsland, pal aan de Tsjechische grens. Wij ouders vonden de plek vooral exotisch door het lokale dialect, maar voor onze toen achtjarige dochter gaf het ontbreken van moslima’s de doorslag. Hoe mooi het er ook was, het was er duidelijk niet wie daheim.

Afgelopen weken moest ik daar geregeld aan terugdenken. Het ging in de media weer eens over het feit dat zoveel mensen zich niet meer thuis zouden voelen in Nederland. Autochtonen omdat het land de laatste decennia zo verkleurd is, allochtonen omdat het land zo op de doe-als-wij-of-pleur-op-toer is gegaan.

En ik dan?, dacht ik steeds. Ik ben blauwogig en blond en tot op het bot Hollands. Maar mijn Sinterklaasliefde gaat prima samen met roetpieten, en ik koop mijn kruiden liever bij de Turkse buurtwinkel dan in de supermarkt. Het nieuwe normaal van mannen als Wilders en Rutte spreekt mij helemaal niet aan. Ik voelde mij afgelopen jaren juist best thuis in mijn veelkleurige omgeving.

Laat ik eerlijk zijn: dat is niet altijd zo geweest. Tot eind vorige eeuw woonde ik hartje grachtengordel en zag ik zelden iemand met een hoofddoek of djellaba. Maar toen kwam er een kind en wilden we groter gaan wonen. Het werd een behoorlijk allochtone buurt in Amsterdam-Oost. En dat vond ik de eerste tijd wel wennen. Want de hoogtijdagen van het multiculti-geluk waren toen al voorbij; Paul Scheffer werkte aan zijn Het multiculturele drama, PvdA-politicus Rob Oudkerk zou spoedig over ‘kut-Marokkanen’ beginnen en in de aanpalende Diamantbuurt terroriseerden allochtone jongeren hun straatgenoten. Dus was het best eng om boven een Marokkaans gezin met vijf kinderen te gaan wonen, en in de speeltuin schuin tegenover ons huis vooral donkere koppies te zien.

Maar in de praktijk bleek het reuze mee te vallen. De oudste zoon van de benedenburen bood me geregeld aan de boodschappen voor me naar boven te dragen. In de Turkse winkel werd ik met een knus ‘goedemiddag buurvrouw’ begroet. En de hangjongeren op het plein werden een en al glimlach wanneer onze blonde dreumes ze vanuit haar kinderwagen toezwaaide. Toen onze dochter naar school moest, duurde onze aarzeling dan ook niet lang: het werd gewoon de ‘zwarte’ school bij ons in de straat.

Inmiddels zit zij alweer lang en breed op de middelbare school, maar ik kijk terug op acht leerzame jaren. Niet alleen voor haar, ook voor ons. Dat zat voor mij vooral in het feit dat de amorfe donkerharige massa om me heen oploste in individuen met een naam. De vaders van Besma en Senna, de moeders van Zuheir, Nihal en Yassine. We kaftten samen schoolboeken, begeleidden samen schooltuinbezoeken en bespraken onze zorgen over luizenplagen en Cito-scores.

Natuurlijk was het ene individu me sympathieker dan het ander, natuurlijk zaten er ook types tussen die me eerder tegenstonden. Maar tegen de tijd dat Geert Wilders met zijn ‘minder, minder’ op de proppen kwam, bevonden zich in de groep tegen wie hij zich richtte zo veel mensen die ik had leren kennen als aardige buurtgenoten en betrokken burgers, dat zijn hatelijke denken me niet kon besmetten. Je zou kunnen zeggen dat deze schooljaren mij hebben gevaccineerd tegen het Wilders-virus.

Maar het beste dat deze jaren me gegeven heeft, is dat ik heb geleerd dat ‘thuisgevoel’ een rekbaar iets is. Je koppelt het van nature misschien vooral aan datgene waarmee je groot geworden bent, de geuren en geluiden van je jeugd. Maar een thuisgevoel kan groeien, het kan ook nieuwe dingen gaan omvatten. Als die nieuwe dingen maar langere tijd een goed gevoel oproepen.

Met een beetje goede wil is aan dat niet-thuis-voelen van een groot deel van de Nederlandse bevolking volgens mij dus best wat te doen. Eerste voorwaarde is dat oude en nieuwe Nederlanders op een vanzelfsprekender manier met elkaar in contact komen. In de speeltuin, op school, op het werk. Dat is nu duidelijk nog te weinig het geval. Die veelbesproken ‘kloof’ in de samenleving scheidt ook allochtoon en autochtoon te veel van elkaar.

Maar ik heb goede hoop dat dat de komende jaren gaat veranderen, als – tweede voorwaarde – de mensen van het nieuwe normaal gewoon weer normaal gaan doen en ophouden mensen met een niet-Nederlandse achtergrond het gevoel te geven dat ze tweederangsburgers zijn. Als die bangmakerij wegvalt, zul je eens zien hoeveel leuke ‘nieuwe Nederlanders’ er de afgelopen jaren van onze scholen zijn gekomen en staan te trappelen om hun thuis te vinden in onze maatschappij.